De meerwaardebelasting en het gebruik van maatschappen: de (zeer betwistbare) juridische standpunten van de regering

Tax & Corporate  •  16/03/2026  •  Kevin Desmet

Gezien de nieuwe meerwaardebelasting in principe sinds 1 januari 2026 van toepassing is, zouden we nu langzamerhand toch moeten weten wat er eigenlijk belast zal worden… of beter, reeds belast wordt. Een in werking getreden wettekst kan daarbij wel handig zijn, maar over die luxe beschikken we jammer genoeg nog niet. De regeringspartijen beroepen zich op het (weliswaar juridisch correcte) privilege, dat zij nog tot het eind van dit kalenderjaar over de tijd beschikken om de uiteindelijke spelregels met retroactiviteit tot 1 januari 2026 vast te leggen.

 

Dus was het voor ons uitkijken naar de zitting van vorige woensdag binnen de parlementaire commissie voor Financiën en Begroting om onze cliënten toch nog ietwat te kunnen informeren van wat komen gaat… of beter wat reeds is. Er zat in het debat weer heel wat voer voor debat, maar bij de eerste lezing van de transcripten viel vooral het volgende met betrekking tot de maatschap op.

 

Door Kamerlid Van Quickenborne werd voorafgaandelijk de vraag gesteld of een overdracht onder bezwarende titel van deelbewijzen van een maatschap, die geen financiële activa bezit, buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting valt. De minister herformuleert in zijn antwoord evenwel de vraag in die zin, of een overdracht onder bezwarende titel van deelbewijzen van een maatschap, die geen financiële activa bezit, onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting valt. Een kleine maar weliswaar belangrijke aanpassing. Vervolgens antwoordt de minister als volgt: “Onder verwijzing naar artikel 90, lid 1, de 9de, juncto artikel 92, paragraaf 1(a), juncto artikel 2 ten 1ste (a) in fine van de wet van 2 augustus 2002 moet daar bevestigend op geantwoord worden.”

 

Als we alle “juncto’s” nu even bij elkaar optellen en het antwoord van de minister in mensentaal vertalen, komt het erop neer dat de nieuwe meerwaardebelasting betrekking heeft op alle effecten in de zin van artikel 2, eerste lid, 1° (a) van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. Die bedoelde effecten worden in artikel 2, eerste lid, 31° van diezelfde wet als volgt gedefinieerd:

 

“effecten”: alle categorieën op de kapitaalmarkt verhandelbare waardepapieren, betaalinstrumenten uitgezonderd, zoals:

a) aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten;

b) obligaties en andere schuldinstrumenten, alsmede certificaten betreffende dergelijke effecten;

c) alle andere waardepapieren die het recht verlenen die effecten te verwerven of te verkopen of die aanleiding geven tot een afwikkeling in contanten waarvan het bedrag wordt bepaald op grond van effecten, valuta's, rentevoeten of rendementen, grondstoffenprijzen of andere indexen of maatstaven;

 

Inderdaad, de deelbewijzen van een maatschap zijn te kwalificeren als aandelen van vennootschappen, maar zijn zij ook verhandelbaar op een kapitaalmarkt (toch een voorwaarde die op alle drie categorieën van “effecten” van toepassing is)? De wet van
2 augustus 2002 lijkt principiële vrije verhandelbaarheid echter als een noodzakelijk kenmerk te beschouwen, opdat er sprake kan zijn van een “effect” in de zin van die wet (zie G. Schrans & R. Steennot, Algemeen deel van het financieel recht, Intersentia, 2003, 119-120, rn. 116). Laat dat nu net het punt zijn bij de deelbewijzen van een maatschap. Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen gaat in haar bepalingen omtrent de maatschap net niet uit van een vrije verhandelbaarheid (dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld de NV). Meer, een maatschap wordt veelal net aangewend om de vrije verhandelbaarheid van haar activa door de maten te vermijden. Een vrije verhandelbaarheid van de deelbewijzen zou dit principe dan ook volledig uithollen. Dus anders dan de minister beweert, kan een overdracht onder bezwarende titel van deelbewijzen van een maatschap, die geen financiële activa bezit, geenszins onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting worden gebracht, zelfs niet op basis van de wet van 2 augustus 2002.

 

De stelling van de minister zou ook fiscaal tot tegenstrijdigheden leiden. Immers, een maatschap wordt in België als een fiscaal transparante structuur behandeld, hetgeen betekent dat deze structuur als zodanig wordt weggedacht bij de toepassing van de inkomstenbelasting: de inkomsten, die de activa van de maatschap voortbrengen, worden geacht rechtstreeks door de maten te zijn genoten. Stel je bijvoorbeeld een vastgoedmaatschap met 2 maten voor, waarbij het enige actief van de maatschap uit een verhuurd pand bestaat. De huurinkomsten zullen in voorkomend geval rechtstreeks in hoofde van de 2 maten worden belast. Indien de maatschap haar vastgoed van de hand doet binnen de 5 jaar nadat zij het zelf van een derde (dus niet van de maten) heeft verkregen, zal de meerwaarde in hoofde van de maten getaxeerd worden a rato van 16,5%, net alsof het vastgoed rechtstreeks door de maten zou zijn aangehouden. Het kan toch niet zijn dat, als de maten op dat ogenblik hun delen in de maatschap van de hand zouden doen, zij daarenboven nog eens een meerwaardebelasting van 10% op de deelbewijzen zouden moeten ondergaan.

 

Daarnaast is het ook interessant om de visie van de regering te vernemen met betrekking tot de vraag of er een belastbare meerwaarde wordt gecreëerd naar aanleiding van de oprichting of de beëindiging van een maatschap. Onder verwijzing naar de blog van Prof. Haelterman, antwoordt de minister dat er geen sprake kan zijn van een belastbare meerwaarde in de mate er naar aanleiding van de inbreng of beëindiging van de maatschap tussen de maten geen “impliciete ruiling” plaatsvindt.

 

Maar wat verstaan we nu volgens Prof. Haelterman onder een zogenaamde “impliciete ruiling”? Indien de maten een inbreng doen van activa, die zij reeds in onverdeeldheid aanhouden, zou er geen sprake zijn van een impliciete ruiling als diezelfde onverdeeldheid gereflecteerd is in de pro rata verdeling van de deelbewijzen van de maatschap. Vanzelfsprekend, want er is geen overdracht van onverdeelde eigendomsrechten. Hetzelfde principe kan dan ook naar analogie in de omgekeerde richting toegepast worden, met name naar aanleiding van de beëindiging van de maatschap.

 

Maar in de praktijk wordt een maatschap veelal opgericht naar aanleiding van de inbreng van (en aldus het onverdeeld maken van) activa, die voordien exclusief aan de maten afzonderlijk toebehoorden. Prof. Haelterman licht het in zijn blog toe aan de hand van een voorbeeld: indien X en Y samen een maatschap oprichten waarbij X 100 aandelen A inbrengt en Y 50 aandelen A, dan is er volgens betrokkene geen sprake van een impliciete ruiling daar X in de maatschap 2/3de van A blijft behouden en Y 1/3de van A. Er zou daarentegen wel sprake zijn van een impliciete ruiling als X 100 aandelen A inbrengt en Y 100 aandelen B, want dan zou X de onverdeelde helft van de aandelen A hebben gerealiseerd en Y de onverdeelde helft van de aandelen B.

 

Naar onze bescheiden mening wordt hier een en ander door elkaar gehaald: Waar de door de maatschap uitgegeven aandelen inderdaad een onverdeeld aandeel in de afgescheiden boedel van de maatschap vertegenwoordigen, is dit niet noodzakelijk het geval voor de ingebrachte activa die in de maatschap werden ingebracht. Bij rechtspersonen – denken we maar de aandelen van de BV of NV – vertegenwoordigt een aandeel een afzonderlijk identificeerbaar roerend goed, waaraan individualiseerbare rechten en plichten verbonden zijn, en kan het aandeel niet als dusdanig vereenzelvigd worden met een onverdeeld deel in de vennootschap als geheel, noch in haar activa. Uit artikel 5:20 en 7:24 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen mag reeds blijken dat het eigendomsrecht per aandeel moet benaderd worden.

 

Deze denkwijze is ook de enige die in de praktijk werkbaar is en voor rechtszekerheid zorgt. Want in het tegenovergestelde geval is er namelijk geen objectief criterium om de zogenaamde aandelen A van de aandelen B te onderscheiden: dient dat criterium dan per vennootschap te worden benaderd of per groep van aandelen met dezelfde rechten en plichten? We mogen immers niet vergeten dat eenzelfde vennootschap verschillende aandelensoorten kan uitgeven, zoals bijvoorbeeld aandelen met enkelvoudig of meervoudig stemrecht, grotere of lagere winstdeelneming, … . Bovendien wordt door de overheid het principe van het aandeel als afzonderlijk identificeerbaar roerend goed ook reeds in andere domeinen van de inkomstenbelasting toegepast. Denken we maar aan de beoordeling van de DBI-voorwaarden per aandeel voor het verkrijgen van de vrijstelling op de gerealiseerde meerwaarde bij een vervreemding van een aandelenpakket door een vennootschap. Waarom zou dit voor de meerwaardebelasting in de personenbelasting anders horen te zijn?

 

Bij een inbreng in een maatschap, waarbij elke maat activa inbrengt waarop hij of zij voorafgaandelijk exclusieve rechten bezat, zal er in de huidige ontwerptekst aldus steeds sprake zijn van een zogenaamde “impliciete ruiling” van onverdeelde eigendomsrechten, ongeacht of het enkel om een inbreng van aandelen A gaat dan wel om een inbreng van aandelen A en aandelen B. Hetzelfde gebeurt bij een verdeling van de activa onder de maten in het kader van de beëindiging van de maatschap, wanneer elke maat exclusieve rechten verkrijgt op activa die voordien in onverdeeldheid binnen de maatschap werden aangehouden.

 

De invoering van deze meerwaardebelasting vormt wellicht een van de grootste wijzigingen in decennia op het vlak van de personenbelasting. En niettegenstaande enkele regeringspartijen zelf koele minnaars blijken te zijn van deze meerwaardebelasting, zouden zij toch wel wat meer diligentie aan de dag mogen leggen bij de uitwerking ervan. Momenteel hebben we ruim 2 maand een meerwaardebelasting, waarvan de ontwerptekst nu al juridisch met haken en ogen aan elkaar hangt terwijl de regeringspartijen intussen het zonlicht blijven ontkennen… niettegenstaande alles toch zonneklaar zou moeten zijn.

 

DEEL DIT BERICHT: